Pirinexus of de ronde van Thomas
In het diepst van zijn gedachten is hij een een wielrenner. Een echte. Die zijn persoonlijke ronde gevonden heeft: Thomas rijdt de Pirinexus. Een beetje Spanje, een beetje Frankrijk. De volle 353 km is een beetje veel in te weinig tijd, dus Thomas koos de lussen rond Girona en de Costa Brava. Op het Spaanse ritme: wat wil een fietser in hart en nieren nog meer?
- Fietsen
Wie is de grootste? Dat was de vraag. Aan de toog, waar anders. Merckx of Pogacar? Een discussie die in elk Vlaams wielercafé vroeg of laat boven water komt, meestal ergens tussen het vierde en het vijfde glas, of op zondagmiddag bij koffie en pannenkoek wanneer iemand het gesprek opnieuw op gang trapt met het zelfvertrouwen van een renner die al op kop zit nog voor er gefietst is. De Kannibaal tegenover het kind dat bergop blijft glimlachen. Een generatie die het peloton meesleurde tegenover een generatie die het uit elkaar trekt met wattages. En terwijl de stemmen luider worden, gaat het al lang niet meer over cijfers of zeges, maar over gevoel, over wat fietsen ooit was en wat het geworden is. We zitten tenslotte in België, een land dat zichzelf graag het fietsland noemt, met fietsrekken bij elke bakker, kasseien die benen maken en dorpen die hun helden bij naam kennen. Toch merkte ik dat mijn gedachten afdwaalden, niet uit ontrouw, maar omdat de fiets intussen meer bestemmingen heeft dan ons geheugen op café. Spanje schoof in beeld, niet als postkaart van strandstoelen en sangria, maar als land dat oude spoorlijnen een rustig tweede leven gunde, dat plooiende binnenlanden aan elkaar rijgt met paden die je willen laten rijden in plaats van je te testen. Je moet het niet uitroepen om het te zijn. Soms volstaat het om het te doen. Daarom trok ik naar Girona en de Costa Brava, dicht bij elkaar, dicht bij huis, dichtbij wat fietsen voor mij betekent.
Dag 1: Test, test, test
Het verhaal begint op een kleine camping bij het strand van Sant Pol, tussen S’Agaró en Sant Feliu de Guíxols. De zee ligt beneden, de heuvels wachten landinwaarts. In het late seizoen zit daar het soort mengelmoes die nergens stoort en toch overal aanwezig is, Duitse koppels met e-bikes, Fransen met compacte campers, een verdwaalde Belg met veel te veel wasdraad, een enkele Spanjaard die alles rustig observeert. Opvallend veel fietsen ook, alleen of per twee, elektrisch ondersteund of koppig niet. Kledij hangt te drogen aan sturen en lijnen, schoenen staan open in de zon, en niemand lijkt haast te hebben.
Voor de ingang van de camping kruist de Pirinexus, een grote lus van ruim driehonderdveertig kilometer die Girona via de Pyreneeën en een stuk Frankrijk opnieuw met zichzelf verbindt. Ze maakt deel uit van de Vías Verdes, het netwerk van oude spoorlijnen dat Spanje stilaan tot fietsland heeft omgevormd. De route combineert voormalige treintrajecten met rustige landwegen, en slingert van kust naar berg en weer terug. Een tocht voor mensen met goede benen en te veel tijd, een lus die de zee inruilt voor rotsen en daarna weer naar het zout afdaalt.
Ik raak ze die eerste dag maar even aan, zoals je aan de rand van de zee het water met je tenen test om te weten wat er nog komt. Ik volg het kustdeel over de boulevard richting Sant Antoni de Calonge, een vlakke aanloop die je benen wekt zonder ze te vragen iets te bewijzen. Je ziet de zee niet voortdurend, maar ze vergezelt je wel in geluid en lucht. Hotels houden hun zwembaden in reserve, terrassen wachten op een nieuw seizoen, een visser zit op een muurtje, een jogger zoekt ritme, en ergens warmt een wielertoerist zich op voor niets behalve zichzelf.
Na enkele kilometers buigt het pad weg van het water en grijpt het het binnenland vast. De Ruta del Tren Petit begint, het oude smalspoor dat ooit Palamós en Palafrugell met de rest van de wereld verbond en nu als Vía Verde door het land snijdt. Wat draaide en floot, rolt vandaag stil. De lijn klimt nauwelijks, zoals spoorlijnen dat horen te doen, en slingert tussen pijnbomen en kurkeiken, over kleine bruggen en korte tunnels die de middag koel houden.
De kurkeiken dragen nog de littekens van hun economische verleden, dorre huid als handelswaar, nu decor voor fietsers die verder willen en toch blijven kijken. Een afgebladderd stationnetje is vandaag picknickplek, reizigers met tijd die nergens heen hoeven. In Palafrugell dooft het spoor uit tussen stad en bomen, zonder fanfare, zonder fontein, alleen een bord dat zegt dat het hier ooit anders was. Ik pik een stuk van de Pirinexus op, het deel dat door de vlakte van de Baix Empordà loopt, half in omgekeerde richting, langs buitenwijken die verdwijnen zodra het land zich opent.
Hier ligt het land van Josep Pla, schrijver en chroniqueur van deze streek, niet als museum, maar als dagelijks leven dat beweegt zonder te moeten overtuigen. Alles glooit licht en lijkt tegelijk eindeloos vlak. Ik rij door tot Torrent, een dorp dat groter klinkt dan het is, een kerk, een plein, schaduw, en een confituurmuseum dat zich niet hoeft te verantwoorden. Twee kinderen delen er een koek op een bank, een hond besluit dat ik de moeite niet ben.
Daarna keer ik terug langs dezelfde weg, het grind knarst, de namiddag schuift open als een raam, en in de verte tekent het reliëf van de volgende dagen zich af. Geen groot avontuur, wel precies genoeg om te voelen dat hier veel samenvalt zonder lawaai, oude lijnen met nieuwe bestemmingen, jij met je fiets en een dag die niet meer hoeft te bewijzen dat ze de moeite waard was.
Dag 2: Steil het binnenland in
De tweede dag begint met een plan dat op papier eenvoudig lijkt, een ronde door het binnenland via Calonge en Romanyà de la Selva tot boven op de Puig d’Arques en terug. Het Parc Natural de les Gavarres was een van de redenen om hierheen te komen, een groene vlek op de kaart die beloofde wat je benen later zouden bevestigen.
Op papier is het een lus van nauwelijks vijftig kilometer, in de werkelijkheid is het de dag waarop het land zich losmaakt van de kust. Nog voor ik goed en wel weg ben, tilt de weg zich op. Eerst onschuldig, dan gewoon steil, niet om indruk te maken, maar om duidelijk te zijn. De villa’s doen wat villa’s doen, hagen recht, poorten breed, honden met manieren.
Even verder duiken golfbanen op, perfect gemaaid, karretjes zoemen, iemand lacht om een gemiste put, en ik duw mezelf uit het zadel met de kalmte van iemand die weet dat lachen geen extra zuurstof geeft. Dan verdwijnt de bebouwing en met haar het gevoel dat alles voor jou is aangelegd. De wind neemt het over, de paden worden smaller, het landschap minder proper en precies daarom meteen vriendelijker. Hier beginnen de Gavarres echt, geen grootse toppen, wel een onophoudelijk golvend landschap van pijnbomen, kurkeiken en oude sporen waar leven werd verdiend met handen, bijlen en tijd. Wat ooit arbeid was, ontvangt nu rustzoekers. De paden bleven dezelfde, het gebruik veranderde, en de stilte doet alsof ze dat altijd zo gewild heeft.
De klim naar de Puig d’Arques is lang en op de kaart vriendelijk, in de werkelijkheid koppig. Elke bocht zegt dat het straks lichter wordt en houdt het net nog even vast. Boven is er niets te veel, een zendmast, een kruis, een vergeelde kaart, en een uitzicht dat genoeg vertelt, de kust als belofte in de verte, het binnenland in lagen, de middag die ergens tussenin ligt. Een wandelaar knikt, ik knik terug, niemand zegt iets wat al gezegd is.
De afdaling vraagt aandacht, schaduw blijft in bochten hangen, losse steentjes doen zich onschuldig voor. Calonge ligt plots weer voor me, aan de rand van het stille land. Een kerk, een paar straten, terrassen waar stemmen weerklinken na uren wind en bomen. Iemand leunt achterover met een glas, iemand anders tuurt naar een telefoon alsof de wereld daar kleiner is.
De weg zakt zacht naar de kust. En op het moment dat ik denk dat het wel genoeg is geweest, duwen de benen nog even door, alsof ze zelf niet willen dat het stopt. De dag is bijna voorbij. De fiets kraakt, de spieren tintelen. Op papier nauwelijks vijftig kilometer, in werkelijkheid precies het soort rit dat blijft hangen omdat ze nergens stoeft.
Dag 3: Dicht bij de Pyreneeën
De derde dag wil ik rollen. De Vía Verde del Carrilet I is daar gemaakt voor, het smalspoor van Olot naar Girona dat nu als breed pad de valleien verbindt. Ik parkeer vroeg bij het station van Girona en laad de fiets in de bus naar Olot. De chauffeur is van het type dat weinig woorden nodig heeft, hij tikt tegen het frame, grijnst en zegt bon viatge met de autoriteit van iemand die al jaren ritten uitzwaait.
Een uur later stap ik boven uit en lijkt de kust een ander land. De lucht is dunner, het ruikt naar gras en mest, en in de verte klinken koeienbellen. Het geluid is kleiner, de ruimte groter. De Pyreneeën zijn dichtbij, maar tonen zich alleen in hun voorposten: beboste hellingen, vochtige dalen, nevel die tussen de bomen blijft hangen. De lijn is zacht dalend, het pad fijn grind en breed, de bochten royaal en het ritme komt zonder onderhandeling.
Bij Coll d’en Bas opent de vallei zich, niet als spektakel, wel als horizon die besluit je een eind te begeleiden. Dorpen volgen elkaar op als haltes die hun haast zijn verloren: Sant Feliu de Pallerols, Les Planes d’Hostoles, Amer, telkens een kerk, een café, een loods die vroeger werk ademde en nu vooral herinnering. In Amer staat het station er nog, vandaag een punt waar wandelaars en fietsers elkaar kruisen alsof ze dat hebben afgesproken.
Een man op leeftijd zit er met een kaart en een potlood, alsof hij de bergen nog eens wil overdoen op papier. Wanneer ik hem groet, wijst hij naar beneden en zegt dat het vanaf hier alleen maar eenvoudiger wordt. Richting Anglès snijdt het pad door rotswanden en over oude bruggen, bij Bonmatí wordt de blik even ruimer en begrijp ik waarom deze spoorlijn destijds meer was dan logistiek, hij was ook ambitie die door een landschap trok en het met zich mee nam.
Tussen Anglès en Bescanó loopt de route een tijd parallel aan een doorgaande weg, de aanwezigheid van auto’s op gehoorsafstand is een kort intermezzo dat de illusie van afzondering even doorprikt, maar na een paar kilometer keert de rust terug. De weg duikt opnieuw de velden in, populieren verklappen de wind, oude fabriekspanden laten de ramen open als een herinnering die niet meer stoort.
De laatste kilometers kondigt de stad zich aan zoals steden dat horen te doen, eerst als brom, dan als stemmen, dan als geur van koffie op een uur waarop je die anders niet zou bestellen. Appartementen duiken op, het station, een plein, en ik stap af met benen die nog even trillen en een hoofd dat precies leeg is.
Dag 4: Wielerhoofdstad Girona
Ik keer terug voor de vierde dag met het gevoel dat een stad die zichzelf wielerhoofdstad noemt, dat hier met gemak kan waarmaken zonder dat iemand zijn stem hoeft te verheffen. Girona is geen decor, het is een plaats met littekens en lagen die niet om aandacht vragen. De kathedraal van Santa Maria staat boven de daken als een afspraak die nooit wordt vergeten.
De trappen ernaartoe vragen inspanning, zelfs te voet, het plein daarboven houdt het licht vast alsof het niemand wil laten ontsnappen. Ik dwaal door El Call, de oude Joodse wijk, straten te smal om iets te forceren, huizen die dichter bij elkaar wonen dan je denkt. De rivier Onyar schuift door de stad, de huizen leunen ertegenaan in mosterd en terracotta, en op de bruggen beweegt het leven op zijn eigen tempo.
Op de Passeig de la Muralla, de oude muren die de stad van bovenaf laten zien, ontvouwt alles zich in lagen die elkaar verdragen: het recente en het oudere, het geplaveide en het gewone. Aan de rand van het centrum schenkt een barista koffie zoals hij dat al jaren doet. Toeristen schuiven aan, een renner in ploegkledij neemt plaats, niemand kijkt op. De fietsen staan tegen muren alsof ze daar altijd al stonden. Deze stad laat twee werelden naast elkaar bestaan: die van het leven dat moet en die van het rijden dat wil.
Als ik de Vía Verde del Carrilet II verlaat aan het station, voelt het vertrek vanzelfsprekend. Eerst wat industrie, dan muurtjes, tuinen, vlak land dat zich niet verontschuldigt omdat het vlak is. In Quart hangt klei in lucht en handen, hier wordt keramiek gemaakt zoals elders brood. Cassà de la Selva voelt zoals dorpen voelen die groot genoeg zijn om elkaar te kennen en klein genoeg om niemand te vervelen.
Llagostera brengt dennen en stof, en je merkt dat de zee dichterbij komt nog voor ze zichtbaar is. Santa Cristina d’Aro glijdt voorbij, Castell d’Aro volgt, en dan is er Sant Feliu de Guíxols, de vissershaven die meer is dan een ansicht, de boulevard die niet vergeet dat er gewerkt wordt, en het water dat beweegt omdat jij dat niet meer doet. Ik stap af aan de rand van de Middellandse Zee, ergens tussen zout en gemak, kijk en merk dat het genoeg is.
Van de bergen tot aan het water, over paden die ooit stoom en arbeid droegen, rolt vandaag iets anders voort zonder dat het iets hoeft te bewijzen. Naast me staat een man die zijn fiets met een vod schoonveegt met de ernst van iemand die weet dat rituelen belangrijk zijn. We knikken, en dat volstaat.
Absoluut een wielerwalhalla
Wat deze streek bijzonder maakt, is geen enkel onderdeel apart, maar de manier waarop ze samenvalt. Oude spoorlijnen kregen een tweede leven zonder theater, dorpen omarmden het rustige verkeer van mensen op wielen, en de wegen lijken te begrijpen dat ze niet alleen dienen, maar ook dragen. In de weekends zie je families, kinderen in fluohesjes die wiebelen en toch vooruitgaan, ouders die zich door een batterij laten helpen en door hun glimlach nog meer. Door de week duiken de profs op onder dezelfde bomen, ploegtreinen die geruisloos passeren, een kopman incognito aan een kleine toog, een mecanicien die een derailleur afstelt met de aandacht van een horlogemaker.
In Girona hebben koffiebars namen die je ook in de koers kent, maar hier klinkt het minder als pose en meer als gewoonte. Het is niet de mythische zwaarte die je aantreft, wel een vanzelfsprekendheid die werkt. Brede stroken, redelijke automobilisten, een overgang van stad naar buiten die je niet afstraft, en vooral variatie die ritten in elkaar doet klikken zonder dat je ze hoeft te regisseren. In één dag kun je licht bergop rijden, afglijden naar een vallei, door open land en eindigen aan zee. Geen heldenverhaal, maar precies wat veel fietsers vandaag zoeken.
Op het Spaanse ritme
Wat blijft hangen, is niet de drang om de streek tot iets te kronen, maar de vaststelling dat ze werkt. Ze is dicht genoeg bij huis om haalbaar te blijven en ver genoeg om anders te zijn. De zon heeft hier een ander geduld, ze warmt zonder te jagen, ze laat het land glanzen in plaats van branden. De zee ligt nooit ver, zelfs landinwaarts voel je het zout in de lucht.
Het is dat Spaanse gemak dat alles draaglijk maakt: het trage ritme, de koffie die hier cortado heet en die je nergens anders ter wereld zo goed samengesteld vindt, het eten dat tijd krijgt. Ze biedt gezinnen een rustige dag zonder stress, toeristen een reden om te kijken in plaats van te scrollen, en profs een ritme dat hard kan zonder dat het luid moet. Je kan hier trainen, verdwalen of met kinderen rijden zonder dat je constant moet uitleggen wat kan en wat niet. Het is eenvoudig en precies daarom sterk.
Misschien komt het doordat zoveel van wat je rijdt al eens reed, zij het met andere wielen en andere doeleinden. De sporen liggen er, de beweging is nieuw. Het is een streek die het verleden niet uitwist, maar het gebruikt als basis om iets zachters te dragen, met zonlicht dat alles afrondt zonder het te verdoezelen. Vier dagen geleden begon dit verhaal aan de toog met een discussie over wie de grootste is. Oud en jong, herinnering en heden, zweet en cijfers.
Na deze ritten lijkt het antwoord minder nodig dan de vraag. De lijnen van vroeger liggen hier nog, de beweging is van vandaag. De fiets is dezelfde, alleen de manier waarop je hem gebruikt verandert met de plek waar je rijdt. Je stapt af aan de zee, denkt aan de vallei, herinnert je de klim, en lacht om de stilte van de bosrand die dezelfde is gebleven, als een afspraak tussen terrein en tijd. Misschien is dat het meest juiste besluit: dat oud en nieuw elkaar niet tegenspreken, maar elkaar toelaten, zoals een oude spoorlijn die vandaag een fietspad is, of een stad die verleden en vooruitgang in dezelfde adem laat bestaan. Je denkt aan het cafégesprek waarmee het begon en merkt dat niemand daar gelijk hoeft te halen. Je hebt gefietst. Dat volstaat.
Wat is de Pirinexus?
‘De Pirinexus is een 353 km lange fiets- en wandelroute, die een lichamelijke activiteit in een schilderachtige omgeving in verbinding brengt met de ontdekking van de regio’, lees ik op de website. En ‘Pirinexus voert door 53 dorpen en 8 gewesten en loopt over fietspaden of andere fietsvriendelijke wegen, zoals landwegen en wegen met weinig verkeer.’
Dat klopt helemaal. De Pirinexus is een logische ruggengraat die je je eigen lussen laat tekenen. De Ruta del Tren Petit is geen spektakel en juist daarom een verademing, ze biedt rust met uitzicht. De Gavarres zijn niet brutaal, maar wel volhardend, en de Puig d’Arques toont in één blik waar je geweest bent en waar je nog heen kan. De Carrilet I van Olot naar Girona rolt als een zin die je graag luidop leest, met dorpen die als komma’s op de juiste plaats staan, Sant Feliu de Pallerols, Les Planes d’Hostoles, Amer, Anglès, Bescanó, en een laatste punt in de stad dat koffie ruikt. De Carrilet II van Girona naar Sant Feliu de Guíxols legt het laatste stuk zonder haast, via Quart, Cassà de la Selva, Llagostera, Santa Cristina d’Aro en Castell d’Aro tot aan de haven waar je fiets even een anker wordt. Niets in deze lijst wil imponeren, en misschien is dat precies waarom het geheel overtuigt.